vrijdag 12 augustus 2011

Nederlanders in den vreemde


Florence, een warme dag in juli. Op Piazza Santissima Annunziata arriveerde een vrouw. Korte broek, stevige fietserskuiten. Een aanzienlijke hoeveelheid muggenbulten (ont-)sierden haar benen. Met haar handen in haar rug stond ze over het plein te kijken. Toen haar reisgenoten zich bij haar voegden, peinsde ze met een onvervalste Leidse tongval: “Plaza Mayor”. De vrouw was met drie andere mannen met vakantie in Toscane. Ik vermoed dat ze ergens buiten de stad op de camping stonden en voor een dagje naar Florence waren gekomen. Met een reisgidsje in de hand liep de groep van de ene naar de andere bezienswaardigheid. Blijkbaar deed het plein haar denken aan eerdere Spaanse avonturen. Het plein kan haar goedkeuring wegdragen: “Dat is mooi met die zuiltjes”. Één van haar vrienden leest in het boekje dat er een archeologisch museum op het plein staat. Dit klopt niet maar Echtgenoot en ik houden onze mond en luisteren geamuseerd verder. Ze hebben het plein bereikt maar weten niet goed wat ze ermee aanmoeten. Eigenlijk zijn ze op zoek naar een “wijkje waar je lekker doorheen kunt lopen”. “Ja, nou, niet te ver. Iets drinken gaat er ook wel in”. Op de Loggia dei Servi di Maria ontwaart het gezelschap de letter S. “Sint” weet de één, “San” verbetert de ander. “Precies, Sint dus”. Aan de andere kant ligt de Spedale degli Innocenti. Een belangrijk voorbeeld van vroege Renaissance architectuur ontworpen door Brunelleschi. Tot 1875 was dit een weeshuis. Je kunt nog steeds de deur zien waarachter je je kind te vondeling kon leggen. Op de façade prijken medaillons in blauw terracotta met reliëfs van baby’s. De vrouw van het gezelschap ontwaart de baby’s. Ze zegt: “kijk, wat apart die baby’s”. Niemand reageert. Naar de reden voor de aanwezigheid van die kindjes wordt niet gevraagd, verder onderzoek wordt niet verricht.  Als ze iets verder het plein op waren gelopen hadden ze alle informatie op borden kunnen lezen. De groep blijft echter in de schaduw, op de oninteressantste hoek van het plein staan.. Een zucht, de groep trekt verder. Door de Via dei Servi. “Hé, de Servische wijk”. “Pas op, ze gaan schieten”. “Sluipschutters”. “Snipers”. Een zacht gegrinnik volgt.

Die Servieten waren natuurlijk ook griezels, enge missionarissen en ander gespuis. Dat hebben die Nederlanders goed gezien.

Urbino, een week later. Vader, moeder en twee kinderen. De jongen is een jaar of negen, het meisje is veertien en heeft besloten haar ouders te haten. Voor de zoveelste keer deze vakantie is de moeder iets kwijt. Verwoed is ze in haar “handige” reisrugzak aan het zoeken. Het meisje verzucht dat het “echt waar is dat een mens zeker een derde van zijn leven aan het wachten is”. Geërgerd loopt ze alvast een paar passen vooruit. Onderwijl passeert een jong Nederlands stel. De vrouw is enthousiast en van plan de zoveelste kerk in te lopen. De man belet haar: “Jezus, ik word nog doodgegooid met ouwe beelden!”

Tussen Fermignano en San Vincenzio, in een agriturismo. Oostenrijkers dit keer: “Nein, ‘colazione’ ist Frühstuck!” “Aber was mussen wir jetzt essen dann?” “Könnst du das fragen?” “Mangiare hier?” Antwoord: “Si, colazione domani” (“Ja, morgen ontbijt”).

Agriturismo, locatie zwembad. Er ligt een man in het zwembad, dat we na vijf dagen privégebruik, waren gaan beschouwen als het onze. Wat krijgen we nou? Dit hadden we toch zeker niet afgesproken? De man ligt in een hoek van het water. Zijn borsthaar is boven komen drijven. Hij doet iets engs met zijn neus. De tijd die hij in het zwembad doorbrengt lijkt eindeloos en ik peins er niet over om me bij hem te scharen. Ik zweet me dood in mijn strandstoel. Vakantie valt soms niet mee. Wanneer hij eindelijk het water uitstapt, lijkt hij last te hebben van een rare blessure. Wellicht van dat harde zwemmen. Hij krabt namelijk onophoudelijk in zijn kruis. Hij schraapt zijn keel zoals alleen een man kan doen. Hij verzacht al zijn leed door het roken van vier sigaretten in twintig minuten. Niets lekkerders dan roken na het sporten.

Wanneer de pasta je een maand lang om de oren vliegt, wordt het tijd voor nasi, haring of aardappelen: 

Rösti

Voor 2 personen 

1 kilo aardappelen
50 gr. roomboter
zout en peper 

Was de aardappelen in de schil zorgvuldig en kook deze circa vijf minuten in een pan met ruim water. Spoel ze onder koud water af. Pel de aardappelen en schaaf ze met een grove rasp in reepjes. Verhit 25 gram roomboter in een koekenpan. Voeg de aardappelreepjes toe en spreid de reepjes uit over de pan alsof je een pannenkoek bakt. Druk de reepjes goed aan. Het moet een dikke aardappelkoek worden. Strooi er zout en peper over en bak op matig vuur ongeveer tien minuten totdat je kunt vermoeden dat de onderkant goudbruin en bijna gaar is. Draai de aardappelkoek om. Dit doe je het handigst door de koek een beetje los van de bodem te halen met een spatel. Laat de koek vervolgens op een glad deksel glijden. Leg hierop, omgekeerd, de koekenpan. Keer snel om zodat de ongebakken kant van de koek nu op de panbodem ligt. Til de koek met de spatel een klein beetje op er laat er nogmaals een flinke klont boter onder glijden. Bak nu de tweede kant in ongeveer vijf minuten goudbruin gaar. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen